De mist trekt langzaam weg, angst voor afhankelijkheid blijft
Na het telefoongesprek voel ik me gelukkig alweer een stuk beter.
Alsof de mist in mijn hoofd langzaam wegtrekt.
Dat is fijn. Natuurlijk is dat fijn. Ik wilde me ook beter voelen. Ik wilde niet blijven hangen in die waas, die spanning, die vermoeidheid die mijn lichaam zwaar maakt en mijn hoofd onwerkelijk.
Maar ergens baal ik er ook van.
Omdat het zo duidelijk laat zien hoeveel invloed één gesprek kan hebben. Hoe snel mijn systeem weer iets meer ruimte krijgt als er contact is. Als er geruststelling is. Als er toch nog even wordt aangesloten.
Ik ben nog niet top. Maar mijn creativiteit komt terug. Langzaam. Voorzichtig. Alsof er ergens weer een luikje opengaat.
Fijn en doodeng tegelijk
Het gesprek deed me goed.
Al was het tegelijkertijd niets bijzonders.
En misschien is dat juist het vreemde eraan. Dat iets gewoons zo’n groot effect kan hebben. Een stem. Een beetje aandacht. Een teken dat de band niet kapot is. Dat ik niet ben afgeschreven. Dat er nog contact mogelijk is.
Ik werd weer kalm.
Ik voelde de waas uit mijn hoofd trekken.
Zo fijn.
Maar tegelijkertijd ook doodeng.
Want als een gesprek mij zoveel rust kan geven, betekent dat ook dat het ontbreken ervan mij enorm kan ontregelen. En daar wil ik niet afhankelijk van zijn. Ik wil niet dat iemand anders zo’n grote knop in mijn systeem lijkt te hebben.
Dankbaarheid en weerstand
Mijn gevoel is niet eenduidig.
Ik denk dat er dankbaarheid zit. Maar ook wanhoop en boosheid vanwege mijn emotionele afhankelijkheid.
Ik wil blij zijn dat het beter gaat. Maar ik wil ook niet dat het zo werkt. Ik wil niet dat ik na dagen van mist, boosheid en ontregeling ineens weer kan ademen omdat iemand mij even belt.
Dat voelt bijna vernederend.
Niet omdat het contact verkeerd was. Maar omdat mijn eigen behoefte eraan zo zichtbaar wordt.
Alsof mijn systeem zegt: zie je wel, dit had je nodig.
En ik had liever gehad dat ik het niet nodig had.
De creativiteit komt terug
Vanavond voel ik me een beetje vreemd, maar wel lekker.
Mijn schilderijtjes zien er plots zo mooi uit. Misschien ga ik wel wat schilderen. Ik voel langzaam maar zeker inspiratie opborrelen.
En dat is óók verwarrend.
Want een paar dagen geleden voelde alles nog vast. Zwaar. Onmogelijk. Alsof mijn leven stilstond. En nu is er ineens weer kleur. Niet overweldigend veel, maar genoeg om iets in beweging te zetten.
Ik zit zelfs alweer te denken aan een nieuw project. Een nieuwe website misschien. Iets met bijzondere ervaringen.
Alsof mijn hoofd, zodra de mist iets optrekt, meteen weer begint te maken.
Niet opgelost, wel verschoven
Het is niet alsof alles nu goed is.
Er zit nog vermoeidheid in mijn lichaam. Mijn benen voelen zwaar. Mijn hoofd is nog wattig. En mijn gevoel is nog niet helemaal terug op zijn plek.
Maar er is wel iets verschoven.
Ik durfde weer een rondje rond de plas te lopen, terwijl ik afgelopen dagen niet zo ver durfde.
Ik zie mijn schilderijtjes weer.
Ik voel weer een beetje inspiratie.
En juist dat vind ik ingewikkeld.
Want blijkbaar kan één gesprek genoeg zijn om de mist in mijn hoofd te laten verschuiven. Genoeg om weer kleur te zien. Genoeg om mijn creativiteit terug te laten komen.
Dat is mooi.
Maar ook irritant.
Ik wil niet dat het zo werkt. Ik wil niet dat contact met iemand anders zo bepalend is voor mijn binnenwereld. Ik wil niet dat mijn systeem pas ontspant als de ander even laat merken dat hij er nog is.
En toch gebeurde dat.
De mist trok weg.
Niet omdat ik alles zelf had opgelost.
Niet omdat ik ineens boven mijn afhankelijkheid stond.
Maar omdat er contact was.
En misschien is dat precies wat ik nog het moeilijkst vind om te verdragen.






